Afasie

Praten is niet zo simpel als je denkt

Praten lijkt zo makkelijk: je leert het vanzelf, net als lopen. Rond de eerste verjaardag komen de eerste woordjes en een kind van twee kent er ongeveer 300.
Daarna wordt de woordenschat flink uitgebreid. Met 
drie jaar gebruikt een kind ongeveer 1000 verschillende woorden, met vijf jaar zijn dat er al 3000.
Het begrijpen van woorden ontwikkelt zich 
sneller. In elke fase kunnen kinderen meer woorden begrijpen dan ze al actief kunnen gebruiken. Bij volwassenen varieert de woordenschat behoorlijk: de omvang ligt zo tussen de 50.000 en de 80.000 verschillende woorden. 
Bij een gemiddeld spreektempo produceren we twee à drie woorden per seconde. Wat je je vaak niet realiseert, is dat die woorden allemaal eerst gekozen moeten worden, voordat je ze kunt uitspreken. Elk woord moet “opgezocht” worden in de hele verzameling van woorden die je kent. 
Als je twee jaar bent, moet je elk woord dus kiezen uit ongeveer 300 woorden en als je vijf jaar bent al uit 3000 woorden. Al die woorden zijn opgeslagen in een soort woordenboek in de hersenen, het mentale lexicon. Het zoekproces moet razendsnel verlopen, anders kan je je eigen spreektempo niet bijhouden. Verder moet je al die woorden nog vlot in de juiste volgorde, in goede zinnen weten te passen. 
Het taalsysteem in ons hoofd is dan ook heel complex, zelfs als je nog maar een kind bent.
Wanneer taalgebieden beschadigd raken, wordt het spreken en/ of begrijpen van taal moeilijk. Dat noemen we afasie. 

Kinderen met afasie hebben bijna altijd woordvindingsmoeilijkheden. 
Daarnaast verschilt het beeld per kind. Sommige kinderen kunnen slecht in zinnen spreken, en praten heel “moeizaam”, in telegramstijl. Anderen spreken vlot, maar maken heel veel fouten of dwalen erg af van de kern van de boodschap die ze willen vertellen. Ze zeggen bijvoorbeeld “leeuw” in plaats van poes, of “wiebelbak” in plaats van schommel.
Dit doen ze niet consequent: een volgende keer zeggen ze het misschien wel weer goed.
Afasie komt bij volwassenen veel vaker voor dan bij kinderen. Daardoor hebben de meeste logopedisten weinig ervaring met kinderafasie: zij zijn veel vertrouwder met kinderen die zich vanaf het begin wat minder goed ontwikkelen qua taal en spraak.

Vraag daarom aan uw logopedist of behandelend arts of het in uw geval  beter is om te zoeken naar een gespecialiseerde logopedist, bijvoorbeeld in een revalidatiecentrum.
Bij oudere kinderen is meestal het lezen en schrijven ook aangetast.  Jongere kinderen kunnen later moeite hebben met het leren lezen en schrijven.
In de eerste maanden treedt vaak herstel op, maar heel veel kinderen houden toch restverschijnselen, die in het dagelijks leven niet zo zichtbaar zijn. 
Op school daarentegen kunnen ze problemen veroorzaken bij de vakken waar taal belangrijk is.


Woordvindingsproblemen: wisselend en beangstigend

Bij woordvindingsproblemen zijn de prestaties vaak heel wisselend. Het zoekproces kan soms goed gaan en soms ook helemaal niet lukken.
Dit 
is heel moeilijk te begrijpen: een kind dat de ene keer heel vlot een bepaald woord kan zeggen, kan de volgende keer datzelfde woord misschien met geen mogelijkheid vinden en het daardoor dus ook niet zeggen.
Voor kinderen is dit heel verwarrend en bedreigend. Ineens kunnen ze niet meer op hun taal vertrouwen. Soms lukt het wel, en soms lukt het niet om op een woord te komen. Kinderen kunnen zich schuldig gaan voelen omdat ze niet meer aan de eisen kunnen voldoen.

 

De woorden zijn er nog wel, maar je kunt er niet bij

Kinderen met woordvindingsproblemen zijn hun woorden niet echt “kwijt”. Hun woordenboek is er nog wel, maar het zoeken gaat niet meer vanzelf. Afhankelijk van de precieze beschadiging in de hersenen kunnen de gevolgen verschillen. Een paar voorbeelden:

 

  1. Het kind kan helemaal niet op een bepaald woord komen en zwijgt maar liever. Het duurt heel lang voor het juiste woord gevonden is. Ook hiervan kan een kind heel onzeker worden, zodat het maar liever niets zegt.
  2. Het kind geeft een omschrijving van het doelwoord, bijvoorbeeld een stok om te vissen voor hengel.
  3. Het kan ook zo zijn dat het zoekproces “ontspoort”, zodat het kind bij een verkeerd woord uitkomt. Een kind zegt dan hele rare woorden, bijvoorbeeld papegaaienvoer voor eikel of waggelbak voor hangmat. Sommige kinderen horen hun eigen fouten heel goed, maar er zijn ook kinderen die zelf niet merken dat ze foute woorden zeggen. 

 

 geschreven door: Mieke van de Sandt Koenderman (klinisch linguīst  revalidatiecentrum Rijndam), Marjolijn Priest ( logopedist revalidatiecentrum Rijndam). www.afasienet.com

 

Ga naar boven